.
Je zou op zo'n moment kunnen denken:
Maar vijf minuten geleden was er toch nog niets aan de hand?
Of
Ik vroeg alleen maar om je schoenen aan te trekken?
Maar begon het daar wel, wanneer begon dit eigenlijk?
Om daar zicht op te krijgen, gaan we de situatie eens terugspoelen.
Gedrag dat groot wordt, trekt vanzelf onze aandacht.
Boos worden.
Weigeren.
Weglopen.
Dichtklappen.
Of helemaal niet meer in beweging komen.
Dat zijn vaak de momenten waarop je als ouder denkt: "Nu gaat het mis".
Maar als je alleen naar dat moment kijkt, mis je soms wat er daarvoor al veranderde.
Kijk nog eens naar de situatie van zojuist.
Het moment waarop het kind zegt: “Ik ga niet!” valt direct op.
Maar daarvoor gebeurde er ook al iets.
Het eten ging nauwelijks.
Alles ging wat langzamer.
Op een vraag kwam niet meteen een reactie.
Kiezen wat aan te trekken werd moeilijker.
En uiteindelijk bleef het kind zitten toen het tijd was om schoenen aan te trekken.
Geen van die momenten vertelt je op zichzelf wat er aan de hand is.
Maar samen laten ze wel zien: Er veranderde al iets vóór het moeilijke moment.
Je hebt net geleerd om een situatie terug te spoelen en te kijken naar:
Wat veranderde er al voor het moment waarop het gedrag groot werd?
Maar waar kun je dan eigenlijk op letten?
Dat verschilt per kind.
Het ene kind wordt drukker.
Een ander kind wordt juist stiller.
En soms zie je niet duidelijk meer of minder gedrag, maar merk je vooral:
Mijn kind doet anders dan ik gewend ben.
Daarom gebruiken we drie eenvoudige kijkrichtingen:
Meer - Minder - Anders
Ze helpen je om gerichter te kijken naar wat er bij je kind verandert.
Je hoeft nog niet te weten waardoor die verandering komt.
Soms zie je meerdere veranderingen tegelijk. Je hoeft die niet precies in te delen.
Het belangrijkste is dat je leert opmerken:
Hé, er verandert iets.
Laten we deze drie kijkrichtingen eens gebruiken bij een aantal verschillende situaties.
Bekijk de situaties op de kaarten en vraag jezelf voordat je de kaart omdraait af:
Wat verandert er hier?
Wordt er iets meer?
Lukt er iets minder?
Of is hier sprake van ander gedrag dan gebruikelijk?
Draai daarna de kaart om.
- Meer vragen
- Vaker dezelfde vraag
- Meer behoefte aan zekerheid
Vandaag lukt het nauwelijks om op gang te komen. Ook met jouw hulp blijft je kind hangen en zegt steeds vaker:
“Geen idee.”
“Ik weet het niet.”
- Minder gemakkelijk beginnen
- Minder reageren op hulp
- Minder tot een volgende stap komen
Vandaag wordt dat steeds sterker. Het corrigeert de andere kinderen vaker, houdt steeds meer vast aan de regels en raakt uiteindelijk in conflict.
- Meer corrigeren
- Sterker vasthouden aan de eigen regels
- Meer discussie
- Sneller in conflict raken
Vanavond lijkt iedere stap opnieuw vast te lopen. Zelfs wanneer je helpt, komt je kind nauwelijks verder.
- Minder reageren op aansporing
- Minder gemakkelijk tot handelen komen
- Minder gebruik kunnen maken van jouw hulp
De laatste tijd zegt je kind op zondagavond ineens dat het buikpijn heeft en wil het liefst in bed blijven.
Deze keer zie je een andere soort reactie.
In plaats van meer vragen stellen of uitstellen, laat je kind nu lichamelijke klachten zien.
De manier waarop je kind reageert rondom school verandert.
Vandaag praat je kind veel, maakt overal een grapje van en laat clownesk gedrag zien.
Je ziet een andere reactie dan je op zulke momenten meestal van je kind kent.
Normaal trekt je kind zich terug en zegt het weinig.
Nu is je kind juist opvallend aanwezig en druk.
De manier waarop je kind reageert, is deze keer anders.
Misschien merkte je dat Meer en Minder vaak gaan over gedrag dat je al van je kind kent.
Het wordt sterker, vaker of nadrukkelijker.
Of iets wat meestal nog lukt, lukt minder goed.
Bij Anders zie je een ander soort reactie dan je op zo'n moment meestal van je kind kent.
De drie kijkrichtingen helpen je om steeds beter te zien wat er verandert.
Maar een verandering staat niet op zichzelf. Om beter te begrijpen wat je ziet, helpt het om ook te kijken naar wanneer en in welke situatie die verandering ontstaat.
Daar gaan we nu verder naar kijken.
Je hebt geoefend met kijken naar wat er verandert.
Maar betekent meer vragen stellen automatisch dat je kind gespannen is?
Of betekent terugtrekken altijd dat iets te veel is?
Nee.
Een kind dat veel vragen stelt, kan behoefte hebben aan duidelijkheid.
Maar het kan ook gewoon nieuwsgierig zijn.
Een kind dat na school naar de eigen kamer gaat, kan overprikkeld zijn.
Maar het kan ook simpelweg behoefte hebben aan rust of privacy.
En een kind dat heel zorgvuldig werkt, kan spanning ervaren.
Maar het kan ook gewoon gemotiveerd zijn om iets goed te doen.
Daarom is deze zin belangrijk: Een signaal is informatie, geen bewijs.
Eén gedraging vertelt je meestal nog niet wat er speelt.
Het wordt interessanter wanneer je kijkt naar de samenhang:
- Wat veranderde er?
- Wanneer gebeurde dat?
- Wat ging eraan vooraf?
- Wat gebeurde er daarna?
- Zie je dezelfde verandering vaker rond momenten die moeilijk zijn?
Zo verzamel je steeds iets meer informatie, zonder meteen een conclusie te hoeven trekken.
Ook de plek waar je kind is, maakt verschil. Thuis en school kunnen iets anders zien
Een kind kan zich op school lange tijd staande houden en thuis pas laten zien hoeveel inspanning dat heeft gevraagd.
Een ander kind wordt op school juist stiller of haakt daar steeds vaker af, terwijl daar thuis nauwelijks iets van te merken is.
En soms zie je veranderingen vooral rondom school:
- op zondagavond
- in de ochtend
- vlak voor vertrek
- na een schooldag
- wanneer school ter sprake komt
Daarom kunnen deze twee beelden allebei waar zijn:
THUIS
“Wij zien dat ons kind na school helemaal vastloopt.”
SCHOOL
“Hier doet je kind eigenlijk gewoon mee.”
Het ene beeld hoeft het andere niet tegen te spreken. Je kind kan op verschillende plekken iets anders laten zien.
Juist door die observaties naast elkaar te leggen, krijg je meer informatie. Niet om zo snel mogelijk te bepalen wat er aan de hand is.
Maar om steeds beter te begrijpen:
Wanneer wordt het moeilijker voor mijn kind en wat verandert er dan?
Vaak merken we pas dat een situatie moeilijk wordt wanneer het gedrag niet meer te missen is.
Je kind wordt boos.
Trekt zich terug.
Blokkeert.
Of komt helemaal niet meer in beweging.
Op zo'n moment vraagt de situatie direct iets van je.
Je probeert uit te leggen.
Je stelt een grens.
Je stelt vragen.
Je probeert je kind weer op weg te helpen.
Wanneer je eerder opmerkt dat er iets verandert, ontstaat er meer ruimte.
Niet omdat je dan meteen weet wat er speelt.
En ook niet omdat je ieder moeilijk moment kunt voorkomen.
Maar je kunt wel eerder gaan herkennen: Mijn kind heeft het op dit moment moeilijker.
Dat helpt om niet alleen te reageren op het gedrag dat je ziet, maar eerst stil te staan bij wat er gebeurt.
Misschien stel je een vraag nog even uit.
Geef je iets meer tijd.
Of maak je een verwachting voor dat moment wat kleiner.
En soms hoef je nog helemaal niets te doen.
Je merkt alleen op: Er verandert iets.
Ook dat is waardevolle informatie.
Je hebt in deze les geleerd om veranderingen bij je kind eerder op te merken.
Soms zie je dat je kind meer vragen gaat stellen.
Stiller wordt.
Meer controle zoekt.
Minder gemakkelijk in beweging komt.
Of dat gedrag dat je al kent sterker wordt.
Maar het gaat niet alleen om wat er verandert.
Ook waar en wanneer je iets ziet, kan belangrijke informatie geven.
Misschien valt een verandering vooral thuis op.
Of juist op school.
Voor of na school.
Op een bepaald moment van de dag.
Of rondom bepaalde situaties of verwachtingen.
Door daar bewuster naar te kijken, kun je soms eerder opmerken: Er verandert iets.
Daarvoor gebruiken we opnieuw: Kijk - Pauzeer - Pas toe.
Kijk
Merk eerst op wat je ziet. Vraag jezelf bijvoorbeeld af:
- Wordt er iets meer?
- Wordt er iets minder?
- Gaat er iets anders?
- Waar zie ik deze verandering vooral?
- Wanneer valt deze verandering vooral op?
Je hoeft nog niet te weten waarom iets verandert.
Kijk eerst naar wat je ziet en waar en wanneer je het ziet.
Pauzeer
Sta kort stil bij wat je hebt opgemerkt.
Je hoeft niet meteen een verklaring te zoeken of direct iets te veranderen.
Vraag jezelf af: Wat zou mijn kind op dit moment kunnen helpen?
Pas toe
Kies één kleine aanpassing die bij dat moment past.
Bijvoorbeeld:
- minder woorden gebruiken;
- iets meer tijd geven;
- duidelijker maken wat de volgende stap is;
- helpen om op gang te komen;
- een overgang eerder aankondigen;
- dichtbij blijven;
- een verwachting voor dat moment kleiner maken
Wat helpt, verschilt per kind en per situatie.
Het gaat er niet om dat je altijd precies weet wat je moet doen.
Je oefent om veranderingen eerder op te merken, even te pauzeren en vervolgens bewuster te kiezen wat op dat moment helpend kan zijn.
0